Fiscale hervorming
Bij de voorstelling van het regeerakkoord werd nogal sterk de nadruk gelegd op het feit dat er voorlopig geen nieuwe belastingen komen. Zoals echter al snel – terecht – opgemerkt geldt dat engagement in hoofdzaak voor de eerste begroting. De noodzaak van nieuwe belastingen zal namelijk ieder jaar ge-herevalueerd moeten worden.Inzake vastgoed is er evenwel nog een andere reden om op de hoede te zijn. Het regeerakkoord stelt immers een fiscale hervorming voorop ‘om het belastingstelsel te moderniseren, te vereenvoudigen, meer rechtvaardig, meer neutraal te maken’. Doel is ook om de werkgelegenheidsgraad te verhogen, ondernemerschap aan te moedigen en de klimaatambities te ondersteunen.
Bij dergelijke fiscale hervormingen leert de ervaring uit het verleden dat een verlaging van de lasten op arbeid gecompenseerd moet worden op andere posten, waaronder vastgoed. Door het te hebben over een fiscale hervorming wordt dan een beetje weggemoffeld dat de taksen op andere posten wel degelijk stijgen. Een vrees is dat er gesleuteld zal worden aan het fiscaal regime voor huurinkomsten. Dit mede om Europese kritiek op de ongelijke behandeling van binnenlands en buitenlands vastgoed weg te werken. Vergeet immers niet dat België nog steeds een antwoord dient te formuleren op een dubbele veroordeling in deze.
Andere reden waarom de vrees bestaat dat de huurinkomsten mogelijk in het vizier komen: het voorbereidend werk van de Hoge Raad van Financiën. Die kreeg in de vorige legislatuur van toenmalig minister van Financiën Johan Van Overtveldt de opdracht om een nieuwe fiscale hervorming, teneinde ‘werken lonender te maken’ uit te denken. Of, om minstens enkele pistes op papier te zetten en daarvoor ook compenserende maatregelen uit te werken, om de kosten van de hervorming te dragen.
In het eindrapport staat dan ook een hele waslijst aan mogelijke compenserende maatregelen. Het belasten van de reële huurinkomsten op binnenlands vastgoed is er daar één van. In één van de volgende edities van Vastgoedflitsen staan we uitgebreider stil bij het rapport van de Hoge Raad. Maar hier is het alvast nuttig om mee te geven dat de Hoge Raad het volgende poneert: ‘Een oplossing kan er in bestaan om in alle gevallen het werkelijk huurinkomen te belasten, mits aftrek van de kosten. In een situatie waarbij de kosten 50% zouden bedragen, levert dit een rendement op van 464 miljoen euro in PB en 4 miljoen in BBSZ.’. Als de regering De Croo I effectief verder werkt op het rapport van de Hoge Raad is het dus niet uitgesloten dat deze piste, die rampzalig zou zijn voor de huurmarkt, op tafel komt.
Het regeerakkoord stelt voorop dat de fiscale hervorming tevens gecompenseerd zal worden door ‘een vereenvoudiging waarbij aftrekposten, belastingverminderingen en uitzonderingsregimes zo veel mogelijk uitdoven’. Dat is in zekere zin de politieke vertaling van het voornemen om te snijden in fiscale aftrekposten. Meer globaal valt dat voornemen, gezien de bricolage die ons belastingstelsel toch wel is, best te ondersteunen. Alleen kunnen de consequenties bij het sneuvelen van specifieke voordelen groot zijn. Gezien de samenstelling van de regering is het geenszins onrealistisch te veronderstellen dat het stelsel van het langetermijnsparen in het vizier kan komen, hetzij algemeen, hetzij specifiek voor wat onroerend goed betreft. Dit vanuit de gedachte dat het vreemd is dat er nog een fiscaal voordeel bestaat voor een krediet voor de aankoop van een tweede woning, terwijl de woonbonus (voor de eerste gezinswoning) reeds in twee van de drie gewesten is afgeschaft en in Wallonië is omgevormd tot de chèque habitat.
Die redenering is de voorbije jaren af en toe in de pers gekomen en ook wel opgepikt aan de linkerzijde van het politieke spectrum. Al gaat men daarbij wellicht wat te snel voorbij aan het tegenargument dat het an sich discriminerend is om roerend en onroerend langetermijnsparen ongelijk te behandelen.
(Bron: CIB studiedienst)














































































































